Mag ik je kar, meneer?

be506a5649e5f4bf69d562edd2c38700

Al dat wachten in de Colruyt.. Geen favoriete bezigheid, begint hij, maar wel een noodzaak. Het enige lichtpunt is dat ik dan tijd heb om rond te kijken. Ik kijk hem vriendelijk aan. En ik bedoel hiermee écht kijken, hé. Zo van bestuderen en spotten. De nonchalance van enkele gelijke zielen. De ogen, die zoeken naar verstandhouding. Het ongeduld, dat van meerdere jassen schaamteloos afdruipt. Het aansluiten in smalle gangen, met als enig vertier de rayon noodles en Bertolli. De blikken, die speuren naar het minst gevulde winkelkarretje, de spurt naar de kortste rij, de lichte tik die jij voelt als je hun weg belemmert. Galant. En dan staan die terug stil, gaat hij verder. Meestal frank rondkijkend. Blikken bewust ontwijkend. Even voelen ze trots en glorie, totdat ze vaststellen dat het lot met hen speelt. Dat die rij helemaal niet vooruit gaat, dat de winkelbediende stilstaat, totààl niet scant. Op zijn gemak zoekt naar een code, die niet geregistreerd staat. Liefst nog geholpen door 2 collega’s. Karma. Hij lacht en verzet zijn kar. Zoekt in zijn zakken naar .. tja, naar wat? Zijn sleutels zeker? Dan kijkt hij naar de grond en verdwijnt in gepeins. Dit is het moment, denk ik. Hier kan ik overnemen zonder te schofferen. Maar dan hoor ik zachtjes zijn stem, alsof hij er nog niet uit is of dit wel bedoeld is voor andermans oren.. “Dan zijn er ook nog altijd die mensen… Die mensen, … die nog nooit hebben gehoord van “een persoonlijk territorium”. Die niet weten dat zoiets bestaat. Die dat niet kennen, niet aanvoelen, die blazen en zuchten in je nek, die tegen je jas aan schuren, meestal druk pratend, zelden stilstaand. Alsof hiermee de traagheid uit zijn versnelling schiet. Voor hen heb ik op dat moment het minste sympathie, zucht hij. Geef me mijn lucht, mijn ademruimte, mijn eigen tijdelijk spotje. Kom niet over die lijn. Alsjeblief! … Terug stilte. Ik bevestig zijn blik, zoek naar dat punt van afronden, maar voel zijn nood om verder te praten…. Ik kan er ook niet aan wennen dat mensen – en ik weet dat ik hier ver de enigste in ben – hun plooi-box met een schwung openkloppen, wanneer het hun beurt is. Kokket rondkijkend op zoek naar een bekend gezicht, totaal geen aandacht voor het fruit dat uit de weegschaal moet genomen worden. De winkelbediende laat de weegschaal voor wat het is en doet noestig verder, hopend dat de hint wordt begrepen. Zelden. Of te laat, ja. En met een oppervlakkige verontschuldiging, amper koud, staart hun blik alweer een andere richting uit. Méérdere conversaties heb ik al over het onderwerp gevoerd en telkens voel ik me er het buitenbeentje in. Zij zullen wel gelijk hebben, zekers, vraagt hij stil. Ik knik beleefd en verstop mijn zak lichtjes achter rug. Maar ík kan me er toch niet toe brengen, zen, gaat hij verder. Het voelt aan als schaamte. Het idee dat ik iemand anders zou opdragen mijn boodschappen te schikken in dat kleine kwartje kubieke meter. Neen. En pas op, meestal zijn die mensen dan ook nog niet rap content, hé. Neen, neen. Niet strak genoeg gestapeld. Niet recht genoeg gezet. Het koudste ligt van boven of juist van onder, de eieren op het bakske aardbeien. En dan, achter de rug van de brave man, in het geniep alles wat rechter zetten of op een andere plaats wringen. Ja. Regelrechte schaamte voel ik dan. In hun plaats. Enfin. Zucht. Ge kent dat wel. En hij kijkt me vragend aan. Ik lach schaapachtig, terwijl ik controle neem over zijn winkelkar. Met lede ogen kijkt hij naar mijn zak en ziet de  plooi-box.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s